Sterft de ontbindingsvergoeding met het overlijden van de werknemer een vroege dood?

In: Arbeidsrecht - ontslagrecht

20 Oct 2013

Blog bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5392 (erven werknemer/Stichting)

1. Inleiding

Het arbeidsrecht heeft een voorliefde voor de term ‘bijzonder.’ Zo wordt het in z’n totaliteit wel als een bijzonder, ja zelfs ‘eigenaardig’ rechtsgebied gezien. Het arbeidsovereenkomstenrecht van Titel 7.10 BW kent dan ook geen ‘normale’, maar bijzondere verplichtingen van werkgever (én werknemer). Daarnaast is het (bij mijn weten) het enige rechtsgebied dat een aantal bedingen als bijzondere bedingen erkent. Verder wordt tot het arbeidsrecht een heuse waaier aan bijzondere arbeidsverhoudingen gerekend. De meest bekende bijzonderheid in het arbeidsrecht is misschien nog wel de bijzondere verzoekschriftprocedure van art. 7:685 BW. Op basis van die procedure zijn in 2012 namelijk 18.715 arbeidsovereenkomsten ontbonden. Jarenlang vormde de ontbinding zelfs de meest gebruikte ontslagroute in ons wettelijke stelsel. Bijzonder – zelfs de Hoge Raad beaamt dat – aan de ontbindingsprocedure is dat deze gericht is op een uitermate spoedige beslissing. Om die reden staat tegen een dergelijke ontbinding géén hoger beroep open. Verder gelden in de arbeidsrechtelijke ontbindingsprocedure niet de regels van het bewijsrecht. Ook mag de rechter op basis van zijn ‘intuïtieve inzicht’ de hoogte van de toe te kennen ontslagvergoeding bepalen. In steekwoorden zou men de ontbinding kunnen omschrijven als: snel, billijk en ‘onaantastbaar’ (definitief).

En alsof dat niet genoeg is, wordt in de literatuur op die zeer bijzondere ontbinding, een aantal bijzondere ontbindingsvarianten onderscheiden. Zo is daar de zogenoemde ‘ontbinding voor zover vereist’ (ook wel: de ‘voorwaardelijk ontbinding’). Die moet dan weer worden onderscheiden van de ontbinding onder opschortende c.q. onder ontbindende voorwaarde die ook voorkomend zijn. Verder is de praktijk niet onbekend met de gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ten slotte bestaat ook nog de ontbinding op termijn. Bij die laatste ontbindingsvorm spreekt de rechter de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit (onder toekenning van een ontbindingsvergoeding aan de werknemer), maar bepaalt hij dat de arbeidsovereenkomst pas na het verstrijken van een bepaalde termijn door die ontbinding zal eindigen.

Van die laatste bijzondere ontbindingsvorm was in de hier te bloggen zaak sprake. Bij een dergelijke ontbinding op termijn loopt de arbeidsovereenkomst in de tussentijd gewoon door. En zo kon het gebeuren dat de ontbinding al was uitgesproken, de vergoeding vaststond, en toen…

  • de werknemer plotseling – nog vóór de einddatum zoals de ontbindingsrechter die had uitgesproken – kwam te overlijden.

Is de werkgever in zo’n geval nu nog steeds verplicht de ontbindingsvergoeding aan (de erfgenamen van) de werknemer uit te betalen? Het was precies die rechtsvraag waarvoor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in deze zaak kwam te staan. Art. 7:674 BW bepaalt namelijk dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege (dus: automatisch) ten einde komt op het moment dat de werknemer overlijdt. Zodoende trad er als het ware een soort haasje-over op tussen het einde van de arbeidsovereenkomst door de ontbinding en het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Het hof wees de vordering van de erfgenamen uiteindelijk af. Op basis van rechtspraak van de Hoge Raad, zou men – zo is althans mijn inschatting – die uitkomst best eens (in cassatie) ter discussie kunnen stellen.

2. Relevante rechtspraak van de Hoge Raad

De casus zoals die zich in deze zaak voordeed is nooit letterlijk zo aan de Hoge Raad voorgelegd. Wel heeft de Hoge Raad zich kunnen uitspreken over de situatie waarin de arbeidsovereenkomst eerst was ontbonden en vervolgens…

  • bleek dat de arbeidsovereenkomst nietig (non-existent) was;

en de situatie waarin:

  • de werknemer zich dusdanig misdroeg dat de werkgever hem – nog vóór de ontbindings(eind)datum – op staande voet ontsloeg.

In beide gevallen stelde de werkgever zich op het standpunt dat de ontbindingsvergoeding niet meer verschuldigd was aan de werknemer. In beide gevallen wees de Hoge Raad dit standpunt echter betrekkelijk resoluut af.

De eerste zaak betrof een – zeer tot de verbeelding sprekend – geschil tussen de indertijd bekende voetballer Ruud Geels en de snoepgigant Jamin (zie Hoge Raad 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608, NJ 1989/588 m.nt. W.H. Heemskerk (Jamin/Geels)). Tussen Jamin en Geels was een arbeidsovereenkomst gesloten. Al vrij vlot werd echter besloten dat aan deze arbeidsovereenkomst een einde moest komen. Toen de kantonrechter werd verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, kende hij Geels een vergoeding toe van de – niet bepaald luttele – som van 950.000 gulden. Naast een vrij riant basissalaris waren Jamin en Geels overigens ook een bepaalde som aan handgeld overeengekomen. Dit handgeld wilde partijen voor de fiscus verborgen houden, maar was uiteindelijk nooit aan Geels uitbetaald. Na de ontbindingsprocedure startte Geels dan ook een nieuwe procedure, waarin hij om nakoming van dit zwartloonbeding vroeg. Geels kreeg hier evenwel het spreekwoordelijke deksel op de neus. De rechter oordeelde dit beding namelijk nietig wegens strijd met de goede zeden. Sterker nog: de rechter achtte de nietigheid van dit beding zo ernstig, dat dit de arbeidsovereenkomst als zodanig in zijn val meesleurde. De conclusie van deze procedure was dan ook een nietigheid van de complete arbeidsovereenkomst. Donkere wolken trokken zich vervolgens samen boven het hoofd van Geels. Het oordeel van de rechter had de – inmiddels curatoren van – Jamin op het idee gebracht in hoger beroep een tegenvordering in te stellen tot terugbetaling van de ontbindingsvergoeding. Immers, de ontbindingsrechter had – zo bleek nu – een nooit bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden. Dan was de bijbehorende ontbindingsvergoeding toch zeker wel onverschuldigd aan Geels betaald?

In cassatie lijkt de Hoge Raad hier echter niets van te willen weten. De Hoge Raad redeneerde strikt en formeel, want wees enkel op het zogenoemde ‘gesloten stelsel van rechtsmiddelen.’ Dit stelsel brengt met zich dat tegen een onjuiste rechterlijke uitspraak alleen kan worden opgekomen door daartegen een rechtsmiddel aan te wenden (lees: dus daartegen in hoger beroep te gaan). In een tweede geding kan op grond van deze geslotenheid namelijk niet de discussie over een eerste geding worden heropend/voortgezet. Anders gezegd: een eerder geding heeft in een later geding zogenoemd ‘kracht van gewijsde’ (ook wel: ‘rechtskracht’). Daarmee werd de deur voor de werkgever in dit soort gevallen wel zo’n beetje gesloten, nu hoger beroep tegen ontbindingsprocedure – als gezegd – niet mogelijk is. Op deze strenge lijn formuleerde de Hoge Raad niettemin een kleine uitzondering. In het zeldzame geval van ‘geheel ontbreken van rechtskracht’ (hierna: GOVR) van de eerdere beslissing, is die beslissing (in casu: de ontbinding) wél aan te tasten, aldus de Hoge Raad. Onvoldoende daarvoor is evenwel, zo haastte de Hoge Raad zich in Jamin/Geels daaraan toe te voegen, een gebleken nietigheid van de arbeidsovereenkomst.

In de tweede zaak trok de Hoge Raad deze lijn vervolgens door naar de situatie waarin de ontbindingsbeschikking werd opgevolgd door een ontslag op staande voet (hierna: OOSV) vóór de ontbindingsdatum (zie Hoge Raad 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG1392, JAR 1997/88 (Rolf/SIDO)). Zodoende lijkt ook een OOSV onvoldoende om van GOVR van de ontbindingsbeschikking te kunnen spreken. Al met al zien we hier het snelle, definitieve einde van de arbeidsovereenkomst die de ontbinding beoogt te zijn, dan ook ten volle tot uiting komen.

3. Toetsing aan de rechtspraak van de Hoge Raad

In de literatuur wordt vrij algemeen aangenomen dat de zojuist besproken Hoge Raad-rechtspraak ook van toepassing is op het type geval waarin de werknemer overlijdt na de beschikkingdatum maar vóór de ontbindingsdatum. Dit betekent in elk geval dat de ontbindingsvergoeding ‘gewoon’ aan de erfgenamen is verschuldigd, tenzij het de ontbindingsbeschikking door het overlijden van de werknemer geheel zou gaan ontbreken aan rechtskracht. En nu juist op dát punt lopen de meningen in de literatuur uiteen. Grofweg zou men in dit vraagstuk twee schools of thought kunnen onderscheiden. Enerzijds is daar de opvatting van (o.a.) Voorink en Herman de Groot & Disselkoen die aannemen dat in zo’n geval de GOVR-uitzondering opgaat (en de erfgenamen dus géén recht hebben op een ontbindingsvergoeding). Zie R.J. Voorink, ‘Dubbel ontslag; dubbele opvatting’, ArbeidsRecht 1997, 34 en J. Herman de Groot & V. Disselkoen, ‘De ontbinding(svergoeding) en het eerdere einde: het moet een keer uit zijn’, in: R. Hansma (red.), De ontbinding van de arbeidsovereenkomst in tienvoud (Scholtens-bundel), Reeks VvA, nr. 35, Deventer: Kluwer 2005, p. 91-92. Anderzijds is er de opvatting van (o.a.) Mollema die aanneemt dat ook in dit soort gevallen die uitzondering niet opgaat (en de erfgenamen dus wél recht hebben op de ontbindingsvergoeding). Zie K.E. Mollema, ‘Einde dienstverband voor de ontbindingsdatum’, SR 1996, p. 197-199.

Het verschil van inzicht tussen beide kampen is fundamenteel, nu zij ieder een andere opvatting aanhangen over de werking van de ontbinding. Voorink c.s. zijn typische causaliteitsdenkers. Volgens hen is het onlogisch te denken dat de ontbindingsvergoeding nog verschuldigd is. De arbeidsovereenkomst is immers eerder – rechtsgeldig – geëindigd door de dood van de werknemer, en bestaat dus niet meer op de datum waartegen werd ontbonden. De ontbinding heeft dan geen effect meer; daarmee eindigt de arbeidsovereenkomst immers niet. Mollema redeneert meer vanuit een constitutieve visie; beide (be)ëindigingsgronden zijn rechtsgeldig, werken niet op elkaar in en hebben dus eigen rechtskracht. Zou dat namelijk anders zijn, dan zou iedere ontbinding in feite een voorwaardelijke ontbinding zijn (namelijk: een ontbinding onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat op het moment dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van de ontbinding eindigt). Daarmee is het bestaan van de onvoorwaardelijke ontbinding effectief de nek omgedraaid, en dat kan volgens Mollema toch niet de bedoeling zijn.

Tegen die achtergrond bezien lijkt het Gerechtshof Arhhem-Leeuwarden zich met haar oordeel aan te sluiten bij de causaliteitsdenkers. Het overweegt immers dat er in deze zaak:

‘logischerwijs geen sprake meer kan zijn van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.’

Wat daarvan nu eens te denken?

4. Eigen opvatting

Van de causale en de constitutieve visie, lijkt mij – anders dan het hof – die laatste visie uiteindelijk (op basis van de volgende vier argumenten) de meest overtuigende.

  1. Die visie lijkt mij ten eerste ook de visie van de Hoge Raad. Een bewijs daarvoor kan (volgens mij) worden gevonden in de zaak Van Hooff/Elektra (zie Hoge Raad 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9069, NJ 2010/97 m.nt. E. Verhulp (Van Hooff Elektra/Oldenburg-Pekel)). In deze zaak was – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst eerst opgezegd, en vervolgens tijdens de opzegtermijn door de kantonrechter ontbonden. In cassatie (in de ontbindingszaak) wierp de Hoge Raad uit eigener beweging de vraag op of de werknemer nu nog tegen de gedane opzegging zou kunnen opkomen langs de weg van de kennelijk onredelijk opzeggings-procedure (art. 7:681 BW). De causaliteitsdenker zal die vraag met een hartgrondig ‘nee’ beantwoorden; de arbeidsovereenkomst eindigde hier immers niet door de opzegging, maar door de ontbinding (die de opzegging ‘inhaalde’). De Hoge Raad overweegt evenwel dat het antwoord op die vraag ‘gewoon’ gevonden kan worden in art. 7:681 BW. Een constitutieve visie, derhalve.
  2. Ten tweede acht ik het argument van Mollema inzake de (on)voorwaardelijkheid van de ontbinding steekhoudend. De gedachte dat iedere ontbinding slechts een voorwaardelijke is, verdraagt zich in mijn optiek namelijk erg slecht met de ratio van ontbindingsprocedure (die immers een snel en definitief einde van de arbeidsovereenkomst beoogt te realiseren).
  3. Ten derde zou men zich – zelfs wanneer men de causale visie als de juiste aanvaardt – kunnen afvragen of dat dan voldoende is voor het oordeel dat de GOVR-escape kan worden ingeroepen. In de procesrechtelijke literatuur is men zeer voorzichtig met het aannemen dat daarvan gesproken kan worden. Zo worden als voorbeelden van GOVR genoemd het geval waarin de griffier zijn eigen concept-vonnis buiten medeweten van de rechter om aan de procespartijen uitspreekt, en het geval waarin twee rechters onafhankelijk van elkaar over dezelfde zaak uitspraak doen (terwijl er natuurlijk maar één daartoe bevoegd is). Dat zijn toch gevallen met veel hogere zeldzaamheid dan de hier te bespreken ontbindings-overlijdens-problematiek. Bovendien zijn het ook gevallen met een veel formelere lading. Dat is, gelet op de achtergrond van GOVR-exceptie, van belang. De reden dat het eerdere geding weer voor discussie vatbaar wordt, is in de zojuist genoemde gevallen namelijk niet zozeer gelegen in de inhoud van die beslissing (als wel in de vorm daarvan). Voor de inhoud van de beslissing moet men nu juist bij het hoger beroep zijn, zo lijkt de Hoge Raad te stellen. In het hier te bespreken geval (ontbinding en overlijden) betreft het ook de inhoud van de eerdere beslissing. Een beroep op GOVR op deze grond  lijkt mij dan ook weinig kansrijk.
  4. Ten vierde lijkt de uitkomst dat de erfgenamen van de werknemer aanspraak mogen maken op de ontbindingsvergoeding (mij) ook de meest billijke. Aldus luidde ook de uitkomst van een recente daarop ziende poll op http://www.ar-updates.nl/ (waarin tweederde van de voters ook zo oordeelde). Daarnaast is dat bijvoorbeeld ook door – zelfs – Herman de Groot & Disselkoen (voorstanders van de causale visie, nota bene) wel zo gesteld. Verder speelt hier ook dat het traditionele weduwen- en wezenpensioen met de komst van Algemene Nabestaande Wet (ANW) in vergaande mate is afgebouwd, zodat de noodzaak terug te kunnen vallen op ontbindingsvergoeding voor erfgenamen nu wellicht groter is dan ooit.

Al het voorgaande leidt mij dan ook tot de slotsom dat de ontbindingsvergoeding géén vroege dood sterft met het overlijden van de werknemer. Een bemoedigende boodschap voor de erfgenamen, wellicht?

 

P.L.M. Schneider, Docent Arbeidsrecht ESL

1 Response to Sterft de ontbindingsvergoeding met het overlijden van de werknemer een vroege dood?

Avatar

Ruud Eisenberger

October 31st, 2013 at 9:26 pm

Wellicht een domme vraag van mijn kant: een voorbeeld: (i) Ktr ontbindt op 15 oktober aovk (ii) tegen 1 november met (iii) een vergoeding van 100K.

Waar komt eigenlijk het idee vandaan dat de ontslagvergoeding pas opeisbaar is na 1 november (datum eindigen aovk) en niet per datum uitspraak (15 oktober). Als het vonnis niets bepaalt, dan geldt toch art. 6:38 BW (verbintenis per direct opeisbaar?).

Sprake van twee constitutieve vonnissen (één toekomstige, art. 7:685 lid 1 BW; een onmiddellijke: art. 7:685 lid 8 BW), waarbij ik niet inzie waarom het intreden van de één (lid 8) afhankelijk is van de andere (lid 1). Lid 8 BW is ook duidelijk: indien de rechter het verzoek INWILLIGT (ja: datum uitspraak, NIET datum eindigen aovk), dan toekenning vergoeding.

Wellicht maken de academici er een te moeilijke discussie van. Derhalve bij overlijden (art. 7:674 lid 1 BW) behoort de vergoeding al tot het vermogen van de erfgenamen (ktr had het verzoek immers al ingewilligd). Dat de aovk eerder eindigt doet daaraan niets af.

Groet,
Ruud Eisenberger

Comment Form

*

Erasmus School of Law

In een werkstad als Rotterdam is arbeidsrecht elke dag onderwerp van discussie. Een in arbeidsrechtelijke vraagstukken gespecialiseerde sectie kan dan ook niet ontbreken binnen Erasmus School of Law te Rotterdam. De sectie Arbeidsrecht is een jong en dynamisch team van arbeidsrechtspecialisten. Blijf op de hoogte van de wervelende dynamiek binnen dit wetenschappelijke vakgebied en het praktische werkveld: het arbeidsrecht volgens de Rotterdamse school!

Decaan ESL

  • Sanne: Ik vind het allemaal ook altijd erg ingewikkeld en kan in mijn ogen zeker makkelijker gemaakt worden [...]
  • Ruud Eisenberger: Wellicht een domme vraag van mijn kant: een voorbeeld: (i) Ktr ontbindt op 15 oktober aovk (ii) tege [...]
  • M.Maasman: Interessant, dit @Sigrid, hartelijk dank voor beantwoording van mijn vraag @Wim, de vraagstukken die [...]
  • Wim Spijker: Deze verwevenheid gaat misschien nog wel verder. Stel dat die opdrachtnemer premies sociale verzeker [...]
  • Sigrid Hemels (hoogleraar belastingrecht EUR): In antwoord op de vraag van M. Maasman hoe een opdrachtgever een beroep aantoont het volgende. Artik [...]